Statuten van de Gereformeerde Kerkte Garderen

Artikelen:
1. Naam en zetel
2. Grondslag
3. Doel en Middelen
4. Samenstelling en lidmaatschap van de gemeente
5. De ledenvergadering
6. De Kerkenraad
7. De ambten van ouderling en diaken
8. Het ambt van predikant
9. Kerkelijk werker
10. Opzicht over de Leer en de Eredienst
11. De Eredienst
12. Bediening van de Heilige Doop
13. Heilig Avondmaal
14. Catechese en geloofsbelijdenis
15. Huwelijk
16. Tucht
17. Beroepsmogelijkheden
18. Kerk en Wereld
19. De financiën van de gemeente
20. Statutenwijziging
21. Ontbinding en vereffening
22. Slotbepalingen


Artikel 1 Naam en zetel

1. De gemeente draagt de naam ‘Gereformeerde Kerk Garderen’, in de statuten hierna aangeduid met ‘de gemeente’.
2. De gemeente is een kerkgenootschap en bezit rechtspersoonlijkheid overeenkomstig
artikel 2 van Boek II van het burgerlijk wetboek.
3. Zij heeft haar zetel te Garderen.

Artikel 2 Grondslag
1. De gemeente erkent de Bijbel als het door de Heilige Geest geïnspireerde woord van God. Zij aanvaardt Oude en Nieuwe Testament als grondslag voor geloof en leven en voor het functioneren van de gemeente.
2. De gemeente belijdt Jezus Christus als de Zoon van God en als de Heer en Redder van de in zonde gevallen wereld.

Artikel 3 Doel en middelen
1. De gemeente heeft als doel het dienen van God. Deze dienst omvat de eredienst, de onderlinge dienst van de leden en dienst aan de wereld.
2. De gemeente tracht haar doel te bereiken door:
a. het houden van samenkomsten voor onder andere aanbidding, voorbede, prediking, Bijbelstudie, de viering van het avondmaal voor gelovigen en de bediening van de doop.
b. het betonen van onderlinge aandacht en zorg en
c. betrokkenheid bij zending, evangelisatie en hulpverlening.

Artikel 4 Samenstelling en lidmaatschap van de gemeente

1. Lid van de gemeente zijn zij die zich op grond van hun geloof als lid hebben aangemeld bij het kerkelijk bureau van de gemeente en grondslag en doel van de gemeente onderschrijven. Nieuwe leden worden na hun toelating in het gemeentenieuws vermeld.
2. Het lidmaatschap van de gemeente eindigt door:
a. opzegging vanwege het lid,
b. uitsluiting vanwege de gemeente overeenkomstig Mattheüs 18:15-18.

3. Het register van de leden wordt bijgehouden door het Kerkelijk Bureau. Naast volledige naam, adres, woonplaats en telefoonnummer bevat het register de geboortedatum en een aantekening of men gedoopt is op persoonlijk geloof, met eventueel de datum.
4. De zorg van de gemeente strekt zich naast de leden tevens uit naar alle anderen die regelmatig de samenkomsten van de gemeente bezoeken of in gezins- of familieverband verbonden zijn met leden van de gemeente.
5. Voor het goed functioneren van de gemeente zijn er diverse commissies en werkgroepen.
De verantwoordelijkheid voor deze werkgroepen en commissies berust bij de kerkenraad.

Artikel 5 De ledenvergadering

Taken en bevoegdheden
1. De gemeente komt tenminste één maal per jaar in vergadering bijeen. Of vaker, indien de kerkenraad of tenminste een derde van het aantal gemeenteleden dit noodzakelijk acht, ter bespreking en vaststelling van het beleid van de gemeente.
2. In de in het voorjaar te houden vergadering, als bedoeld in het voorgaande lid, wordt de afgelopen periode geëvalueerd en de jaarrekening van het afgelopen kalenderjaar vastgesteld. Daardoor kunnen kerkenraad en penningmeester gedechargeerd worden.
3. In een andere vergadering kunnen beleidsvoornemens voor de komende periode en de begroting voor het komende kalenderjaar worden vastgesteld.
4. Tot de specifieke bevoegdheden van de ledenvergadering behoort naast bovenstaande het besluiten over:
a. de aanstelling van betaalde medewerkers,
b. koop, verkoop of bezwaring van onroerende goederen ; uitgezonderd het overdragen van onroerende goederen aan een stichting tot behoud van het onroerend goed van de Gereformeerde Kerk van Garderen,
c. het aangaan van aanzienlijke verplichtingen buiten de eerder vastgestelde begroting,
d. statutenwijziging en
e. ontbinding en vereffening.

Werkwijze
5. Een ledenvergadering wordt aangekondigd door een schriftelijke uitnodiging voor ieder huishouden, ten minste twee weken voorafgaand aan de vergadering.
6. Gemeenteleden kunnen agendapunten – zo mogelijk met een schriftelijke toelichting – indienen bij de scriba. De kerkenraad stelt de agenda op met daarop in ieder geval alle door de leden ingediende punten en stelt die een week vóór de vergadering beschikbaar aan alle leden. Ter vergadering aan de orde gestelde punten worden zo mogelijk afgedaan, resp. beantwoord; waar dat niet mogelijk is worden deze punten behandeld in de eerstvolgende ledenvergadering.
7. De besluitvorming in de ledenvergadering geschiedt als volgt:
a. Er wordt zo veel mogelijk gestreefd naar eenstemmigheid in de besluitvorming.
b. Indien stemming noodzakelijk is, wordt besloten bij absolute meerderheid van stemmen, tenzij anders in de statuten is bepaald.
c. Als regel wordt over personen schriftelijk en over zaken bij handopsteking gestemd.
d. Ieder lid van de gemeente van tenminste 16 jaar heeft één stem.
e. Ieder lid kan een ander lid schriftelijk machtigen om namens hem of haar een stem uit te brengen over onderwerpen, die op de agenda vermeld zijn. Eén lid kan door niet meer dan vijf andere leden gemachtigd worden tot het uitbrengen van een stem.
8. De ledenvergadering wordt geleid door de voorzitter van de kerkenraad of door zijn plaatsvervanger. De scriba draagt er zorg voor dat er van de vergadering notulen worden opgemaakt. Deze worden gepubliceerd nadat zij op de eerstvolgende kerkenraadsvergadering zijn vastgesteld. Nadere zienswijzen en wijzigingen van gemeenteleden dienen op de eerstvolgende ledenvergadering worden aangebracht.

Artikel 6 De Kerkenraad
De ambtsdragers vormen gezamenlijk de kerkenraad. Deze is belast met de leiding en verzorging van de gemeente. Voor overleg daartoe vergadert de kerkenraad regelmatig.
Van genomen besluiten wordt nauwkeurig aantekening gemaakt.
De kerkenraad kan, naast ambtsdragers, ook gemeenteleden aanstellen met een bijzonder functie binnen de kerkenraad, zoals notulist, adviseur en interim voorzitter.

Artikel 7 De Ambten van Ouderling en Diaken
Er zijn drie ambten te onderscheiden: het ambt van predikant of dienaar van het Woord, van ouderling en van diaken. Tussen deze ambten bestaat geen onderscheid in rangorde, alleen in dienstbetoon.
1. Noodzaak van wettige roeping en bevestiging van een ambtsdrager ; Niemand vervult een ambt zonder wettig geroepen en bevestigd te zijn. De roeping geschiedt door de gemeente, onder leiding van de kerkenraad. De bevestiging vindt in een openbare samenkomst van de gemeente plaats, met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
2. Roeping tot het ambt van ouderling of diaken ; De roeping tot het ambt van ouderling of diaken vindt in de regel op de volgende wijze plaats:
a. De kerkenraad stelt de gemeente in de gelegenheid de aandacht te vestigen op belijdende leden die zij acht te voldoen aan de in Gods Woord voor ambtsdragers gestelde eisen. Daarna stelt hij de gemeente zo mogelijk het dubbele van het aantal te verkiezen ambtsdragers voor, om haar daaruit te laten kiezen.
b. De naam van degene die tot het ambt geroepen is, wordt op twee opeenvolgende zondagen afgekondigd. Indien geen gegronde bezwaren worden ingebracht, vindt de bevestiging plaats.
3.Ambtstermijn van ouderling en diaken ; Een ouderling of diaken dient in beginsel naar plaatselijke regeling 4 jaren. Na afloop van zijn/haar ambtstermijn treedt hij/zij af, tenzij de kerkenraad het wenselijk oordeelt dat hij langer dient. Voor dit oordeel wordt de instemming van de gemeente gevraagd. Van de ambtsdragers zal een rooster van aftreden worden vastgesteld.
4. Dienst van de ouderling houdt in :
● het herderlijk zorgen voor de gemeente en haar leden,
● het toerusten tot dienstbetoon,
● het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers,

5.Dienst van de diaken houdt in :
● het verlenen van christelijke ondersteuning aan de leden van de gemeente ¬ en naar
vermogen ook aan anderen ¬ die in nood verkeren,
● hen met raad en troost bijstaan
● en het opwekken van de leden van de gemeente tot het bewijzen van barmhartigheid aan
de naaste.

Artikel 8 Het ambt van predikant
1. Opleiding ; Wie verlangt tot het ambt van predikant te worden toegelaten, volgt als voorbereiding een deugdelijke opleiding en dient de voor de uitoefening van dit ambt vereiste gaven te bezitten.
2. Preekbevoegdheid
Wie de opleiding voor het ambt van predikant volgt, kan bij de kerkenraad preekbevoegdheid aanvragen volgens de regeling voor de Kerkelijke Onderzoeken. De preekbevoegdheid is van kracht tot het einde van de opleiding.
3. Beroepbaarstelling
Wie de opleiding voor het ambt van predikant met goed gevolg heeft afgesloten en predikant wil worden, onderwerpt zich aan een onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid tot het ambt. Dit onderzoek vindt plaats op de regiovergadering van de gemeente waar hij zijn priorschap vervult, volgens de regeling voor de Kerkelijke Onderzoeken. Wie met goed gevolg dit onderzoek heeftafgesloten, wordt voor de duur van twee jaren als kandidaat beroepbaar gesteld en verkrijgt daartoe preekbevoegdheid voor die termijn.
4. Bijzondere gaven tot het ambt van het predikant
Wie verlangt tot het ambt van predikant te worden toegelaten zonder de daartoe vereiste opleiding te hebben gevolgd, dient ¬ behalve de in 5.1 genoemde gaven ¬ bijzondere gaven tot het ambt van predikant te bezitten. Hij onderwerpt zich daartoe aan een onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid tot het ambt overeenkomstig de regeling voor de Kerkelijke Onderzoeken. Wie met goed gevolg het onderzoek voor de beroepbaarstelling heeft afgesloten, wordt voor de duur van twee jaren als kandidaat beroepbaar gesteld en verkrijgt daartoe preekbevoegdheid voor die termijn.
5.Zelfstandige preekbevoegdheid ; Wie verlangt om voor te gaan in een kerkdienst buiten de eigen gemeente maar niet de opleiding tot het ambt van predikant volgt of geen predikant (meer) is, kan daartoe preekbevoegdheid aanvragen bij de regiovergadering van de gemeente waartoe hij behoort volgens de regeling voor de Kerkelijke Onderzoeken.
6. Beroep van een predikant
Wie als predikant aan een gemeente verbonden is, kan door een andere gemeente beroepen
worden. Wanneer de predikant het beroep aanvaardt, vindt de bevestiging plaats na goedkeuring van de regiovergadering waartoe de beroepende gemeente behoort. Hiervoor zijn vereist de beroepsbrief met een bewijs van aanneming van het beroep, een bewijs van ontslag, een goede attestatie aangaande leer en leven uit de gemeente waaraan hij tot dan toe verbonden was, alsmede een goed getuigenis van de regiovergadering waartoe deze gemeente behoort.
7. Band aan een bepaalde gemeente
Niemand vervult het ambt van predikant zonder verbonden te zijn aan een bepaalde gemeente, noch verricht hij in een andere gemeente enig ambtelijk werk zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen van of namens de kerkenraad van die gemeente.
8. Levensonderhoud van een predikant
Een gemeente voorziet haar predikant van behoorlijk levensonderhoud overeenkomstig de richtlijn. Deze verantwoordelijkheid omvat mede het levensonderhoud bij ziekte, bij ouderdom en voor nabestaanden.
Aan een predikant wordt ontheffing van zijn ambtelijk werk verleend vanaf het moment dat hij
ouderdomspensioen of een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ontvangt. Hij behoudt de
naam en eer van dienaar van het Woord.
9. Ontslag van een predikant; op non-actief stelling
a. Ontslag op eigen verzoek
Het staat een predikant niet vrij het ambt neer te leggen. Een predikant kan evenwel op eigen
verzoek eervol uit het ambt worden ontheven. Daarmee verliest hij de naam en eer van dienaar van het Woord. Dit ontslag op eigen verzoek wordt verleend door de kerkenraad na goedkeuring van de regiovergadering met verplicht advies van de Commissie Kerkrecht en beroepszaken.
b. Ontslag om gewichtige redenen
Een predikant die naar het oordeel van de kerkenraad om gewichtige, maar niet tuchtwaardig
makende redenen zijn gemeente niet langer kan dienen, wordt ontslag verleend overeenkomstig de “Procedure voor ontslag van een predikant om gewichtige redenen”.
Tenzij de (regio)vergadering tot het oordeel komt dat de predikant ook in een andere gemeente zijn ambt niet naar behoren zal kunnen vervullen, wordt hij voor een bepaalde termijn beroepbaar gesteld en blijft zolang als predikant verbonden aan de gemeente die hij diende.
c. Op non-actief stelling
Een predikant kan door de kerkenraad tijdelijk op non-actief worden gesteld overeenkomstig de daarvoor bestaande procedure.

10.Dienst van de predikant; De dienst van de predikant houdt in:
● het verkondigen van Gods Woord,
● het bedienen van de sacramenten,
● het voorgaan in de openbare gebeden van de gemeente,
● het verdedigen en doorgeven van de zuivere leer en het onderwijzen van de jeugd van de
gemeente en van allen die dit behoeven,
● alsmede het samen met de medeambtsdragers herderlijk zorgen voor de gemeente en
haar leden en haar toerusten tot dienstbetoon,
● het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers,
● en het samen met de ouderlingen uitoefenen van de kerkelijke tucht.


1. Kerkelijk werker (algemeen) ; Een gemeente kan een dienstverband aangaan met een kerkelijk werker om de praktijk van het gemeenteleven te begeleiden of daarin zelf werkzaam te zijn. De aanstelling geschiedt volgens de richtlijn voor kerkelijke werkers van de NGK.
De kerkenraad ziet toe op leer en leven van de kerkelijk werker in de arbeid die hij binnen de gemeente verricht.

Artikel 10 Het opzicht over de Leer en de Eredienst
1. Ondertekening Formulieren van Enigheid ; Als blijk van instemming met de leer van de kerk geldt de ondertekening van de drie Formulieren van Enigheid: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus, en de Dordtse Leerregels.
Deze instemming wordt gevraagd na bevestiging van een ambtsdrager en na het regio examen tot verlening van preekconsent, beroepbaarstelling of toelating tot het ambt van predikant.
Wie de ondertekening weigert of niet langer voor zijn rekening kan nemen, legt verantwoording af aan de kerkenraad. Totdat de kerkenraad met deze verantwoording genoegen neemt, wordt de uitoefening van het ambt, het preekconsent of de beroepbaarstelling opgeschort. De kerkenraad doet hiervan mededeling aan de gemeente en geeft desgewenst nader rekenschap.

Artikel 11 De Eredienst
De kerkenraad roept de gemeente op de zondag samen voor het houden van een eredienst.
In elke samenkomst wordt Gods Woord bediend.
Over de invulling van de christelijke feest¬ en gedenkdagen beslist de kerkenraad.

Artikel 12 Bediening van de heilige doop
Het verbond van de Here wordt, zodra mogelijk, aan de kinderen van de gelovigen betekend en verzegeld door de doop in een openbare samenkomst van de gemeente, met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
Een volwassene die niet gedoopt is en opneming in de gemeente verlangt, ontvangt de doop na het afleggen van openbare belijdenis van het geloof, met gebruikmaking van een daarvoor
bestemd formulier. De kerkenraad houdt van elke doopbediening nauwkeurig aantekening.

Artikel 13 Heilig Avondmaal
1. Toelating tot het heilig avondmaal ; Tot het avondmaal wordt toegelaten wie openbare belijdenis heeft gedaan van het geloof en een gelovige levenswandel vertoont.
Een belijdend lid van een andere gemeente wordt tot het avondmaal toegelaten, indien op goede gronden kan worden aangenomen dat hij zich in leer en leven als goed christen gedraagt.
2. Bediening van het heilig avondmaal ; Het avondmaal als teken en zegel van de gemeenschap met Christus wordt ten minste eens in de drie maanden in een openbare samenkomst van de gemeente bediend met gebruikmaking vaneen daarvoor bestemd formulier.
3. Gemeenteleden die door ziekte niet het Avondmaal in de Eredienst kunnen vieren,
kunnen na de Eredienst het avondmaal thuis vieren.

Artikel 14 Catechese en geloofsbelijdenis
1. Catechese ; De kerkenraad draagt zorg voor het catechetisch onderwijs aan de jeugd van de gemeente. Dit onderwijs is gericht op het afleggen van openbare belijdenis van het geloof.
2. Geloofsbelijdenis ; De kerkenraad onderzoekt leer en leven van degene, die voornemens is belijdenis af te leggen. Zijn of haar naam wordt op twee zondagen afgekondigd. Indien geen gegronde bezwaren worden ingebracht, vindt de belijdenis van het geloof plaats in een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
3. Attestatie ; Aan elk lid dat de gemeente verlaat wegens overgang naar een zustergemeente, geeft de kerkenraad een getuigenis aangaande leer en leven mee, bestemd voor de kerkenraad van die gemeente. Voor wie nog geen openbare belijdenis heeft afgelegd wordt een doopattest overhandigd.

Artikel 15 Huwelijk
De kerkenraad ziet erop toe dat leden van de gemeente hun huwelijk aangaan overeenkomstig
Gods Woord. Na de burgerlijke voltrekking van het huwelijk vindt, indien gewenst, de kerkelijke bevestiging of voorbede plaats in een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.
De namen van hen die een kerkelijke bevestiging van hun huwelijk aanvragen, worden op twee zondagen afgekondigd. Indien geen gegronde bezwaren worden ingebracht, vindt de bevestiging of voorbede plaats.

Artikel 16 De Tucht
1. Karakter van de tucht ; De kerkelijke tucht draagt een geestelijk karakter en is er op gericht de leden van de gemeente die zondigen te behouden, hen met God, de gemeente en hun naaste te verzoenen en de gemeente te bewaren bij de heiligheid van het verbond van de Here.
2. Onderling toezicht ; Heeft iemand een zonde bedreven die geen openbaar karakter draagt, dan wordt hij hierover vermaand (naar de regel van Matt. 18: 15, 16 en Galaten 6: 1).
Indien de zondaar geen berouw toont, wordt de kerkenraad hierin gekend (Matt. 18: 17).
Heeft iemand een openbare zonde bedreven, dan wordt dit ter kennis van de kerkenraad gebracht.
3. Vermaan en verzoening
a. Onderzoek en vermaan ; De kerkenraad onderzoekt de beschuldiging en stelt de betrokkene in de gelegenheid zich te verantwoorden. Indien de beschuldiging gegrond is, vermaant de kerkenraad hem de zonde te belijden en zich te bekeren.
b. Berouw en verzoening ; Wanneer het vermaan van de kerkenraad berouw tot gevolg heeft, vindt verzoening plaats op een wijze die de kerkenraad juist oordeelt.
4. Voortgaande tucht
Wie geen blijk geeft van berouw en de vermaningen van de kerkenraad verwerpt, wordt van het heilig avondmaal afgehouden. Indien na herhaalde vermaning geen bekering volgt, wordt tot afsnijding overgegaan. De kerkenraad past dit laatste redmiddel slechts toe nadat mededeling is gedaan aan de gemeente met het oog op haar instemming. De afsnijding vindt plaats in een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
5. Wederopneming ; Indien iemand die afgesneden is van de gemeente, na bekering begeert weer te worden opgenomen, wordt hiervan aan de gemeente mededeling gedaan met het oog op haar instemming. Wederopneming vindt onder dankzegging aan de Here plaats in een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
6. Tucht over een ambtsdrager
a. Schorsing en afzetting ;Wanneer een ambtsdrager een onschriftuurlijke leer brengt of een openbare ernstige zonde bedrijft, wordt hij door de kerkenraad in de uitoefening van zijn ambt geschorst of uit zijn ambt gezet.
b. Schorsingsprocedure ; De kerkenraad gaat slechts tot schorsing over nadat het voorgenomen besluit tot schorsing door of namens de kerkenraad is besproken met de
betrokken ambtsdrager;
De kerkenraad stelt de betrokken ambtsdrager zo spoedig mogelijk, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn beslissing. Van de schorsing wordt mededeling gedaan
aan de gemeente met het oog op haar instemming.
7. Afzettingsprocedure ; De kerkenraad gaat slechts tot afzetting over nadat het
voorgenomen besluit tot afzetting door of namens de kerkenraad is besproken met de
betrokken ambtsdrager ;
Van de afzetting wordt mededeling gedaan aan de gemeente met het oog op haar instemming.

Artikel 17 Beroepingsmogelijkheden
Tegen een besluit van de kerkenraad staat beroep open. Er kan alleen beroep worden aan getekend tegen een besluit, een handeling of een verzuim van een kerkelijk lichaam.
Het recht een bezwaar in te dienen is voorbehouden aan een kerkelijk lichaam, ambtsdrager of een gemeentelid. Men kan slechts een bezwaar indienen als men meent door dat besluit in zijn werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid te zijn getroffen. Een bezwaar moet worden ingediend binnen dertig dagen nadat het besluit genomen is, of men er redelijkerwijs kennis van had kunnen nemen. De kerkenraad is gehouden de aan hen voorgelegde zaken met voortvarendheid af te handelen en is bevoegd zaken te splitsen of samen te voegen.

Indien een bezwaar niet naar tevredenheid van de bezwaarmaker is afgehandeld is arbitrage mogelijk door het aan Missie Nederland verbonden Netwerk ‘Vredestichters’

Artikel 18 Kerk en Wereld
1. Relatie met andere kerken ; De kerken dienen de eenheid van alle in belijdenis en leven gereformeerde kerken in Nederland en daarbuiten, ook als die een ander gebruik hebben.
2. Zending en evangelisatie ; Om de opdracht van Christus uit te voeren stimuleert de kerkenraad de leden van de gemeente om in woord en daad getuigen te zijn van Christus en het missionaire werk in binnen¬ en buitenland te ondersteunen door gebed, giften en betrokkenheid.
Elke gemeente zal onder leiding van de kerkenraad het evangelie in woord en daad uitdragen in haar directe omgeving.

Artikel 19 De financiën van de gemeente
Commissie van Beheer
1. Uit de leden van de gemeente wordt op voordracht van de kerkenraad, telkens voor een periode van vijf kalenderjaren, leden gekozen voor de commissie van beheer.
Na de periode van vijf jaren zijn de leden terstond herkiesbaar. Een lid van de commissie van beheer kan gelijktijdig lid zijn van de kerkenraad, maar dit is geen vereiste.
2. De Commissie van Beheer werkt onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad en is belast met de uitvoering van het financiële en materiële beleid van de gemeente. De Commissie van Beheer draagt zorg voor:
a. de inning en betaling van gelden voor zover deze:
i. passen binnen het kader van de vastgestelde begroting,
ii. gedekt zijn door schriftelijke bewijsstukken,
iii. niet een uitbetaling aan de leden van de commissie zelf betreffen,
iiii. niet € 10.000 te boven gaan en/of waardoor de kerk langer dan een jaar gebonden wordt.

b. de bewaring voor tenminste tien jaren van alle aan inkomsten en uitgaven ten grondslag liggende bewijsstukken, zoals rekeningafschriften, getekende tellijsten van de collecten, facturen en declaraties,
c. de boekhouding per kalenderjaar,
d. regelmatige informatie aan de kerkenraad over de stand van zaken met betrekking tot inkomsten en uitgaven,
e. het opmaken voor de ledenvergadering als bedoeld in art 5, lid 2 van elk jaar van het ontwerp van de jaarrekening van het afgelopen kalenderjaar met een overzicht van inkomsten en uitgaven en een balans van bezittingen en schulden,
f. het in overleg met de kerkenraad opmaken voor 1 oktober van elk jaar van het ontwerp van de begroting van het komende kalenderjaar.

g. het onderhoud van de roerende en onroerende goederen en de technische installaties

Geldmiddelen
3. De geldmiddelen van de gemeente bestaan uit:
a. vaste vrijwillige bijdragen van de leden
b. opbrengsten van collecten
c. erfstellingen, legaten, schenkingen en andere toevallige baten
d. opbrengsten van belegde middelen
e. andere wettige inkomsten

4. Nalatenschappen kunnen uitsluitend onder het voorrecht van boedelbeschrijving worden aanvaard.

Controle
5. Voordat een jaarrekening door de kerkenraad aan de ledenvergadering ter vaststelling wordt voorgelegd wordt de boekhouding gecontroleerd door twee leden van de gemeente, die daartoe door de ledenvergadering zijn aangewezen.
6. De controleurs brengen verslag van hun bevindingen uit aan de ledenvergadering.
7. Na de controle wijst de ledenvergadering voor het komende jaar één nieuwe controleur aan, opdat een controleur twee jaren in functie is en dan vervangen wordt.

Artikel 20 Statutenwijziging
1. De ledenvergadering kan tot wijziging van de statuten besluiten tijdens een vergadering, waarvoor de leden tenminste vier weken tevoren schriftelijk zijn bijeengeroepen. Bij de uitnodiging is het wijzigingsvoorstel gevoegd.
2. Een besluit tot statutenwijziging behoeft een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, waarbij tenminste driekwart van het aantal gemeenteleden aanwezig moet zijn.
3. Is in de vergadering niet driekwart van het aantal gemeenteleden aanwezig, dan wordt een tweede vergadering belegd. In die vergadering kan worden besloten met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, ongeacht het aantal aanwezigen.
4. Een statutenwijziging treedt in werking op de dag volgend op de dag waarop het besluit is genomen, tenzij in het besluit anders is bepaald.
5. De artikelen 2, 3 en 21 en het onderhavige artikel komen echter nimmer voor wijziging in aanmerking.
6. Deze statuten komen te vervallen op het moment dat wij ons in meerderheid aansluiten bij een kerkverband. De statuten van het desbetreffende kerkverband zullen dan gelden.

Artikel 21 Ontbinding en vereffening
1. De ledenvergadering kan besluiten tot ontbinding van de gemeente. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 van artikel 20 is hierbij van toepassing.
2. Bij het besluit tot ontheffing wordt door de ledenvergadering tevens besloten voor welk doel en op welke wijze het eventueel batig saldo zal worden aangewend. Het doel zal in ieder geval in overeenstemming moeten zijn met grondslag en doelstelling van de gemeente.

Artikel 22 Slotbepalingen
1. In gevallen waarin de statuten niet voorzien, neemt de kerkenraad een voorlopige beslissing, die aan de ledenvergadering ter goedkeuring zal worden voorgelegd.
2. Het in lid 1 bepaalde geldt ook in die gevallen, waarin verschil van mening bestaat over de uitleg van de statuten. 5,6
3. Deze statuten zullen met terugwerkende kracht vanaf 31 december 2016 gelden.

Voorzitter Scriba
Herman Roozenbeek Netty Dellebeke

Garderen, 23 januari 2017